Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

‘Open een andere verbeelding voor ons’ 

De kerk kan voor de politiek een ander perspectief openen. Die hoop spreekt scriba Kees van Ekris uit tijdens de Nationale Kroonbede in Den Haag, de jaarlijkse interkerkelijke gebedsdienst waarin burgers en politici samen bidden voor regering, parlement en bestuur. Hieronder leest u zijn bijdrage. 

1. Een andere verbeelding 

Ik vroeg aan een politicus: Wat verwacht je van de kerk? Afgelopen jaar had ik als scriba verschillende kennismakingsgesprekken met fractieleiders, en dat was stimulerend en open. Wij hebben samen te werken, vanuit de eigen verantwoordelijkheid en opdracht, en soms in een wederzijds bevragend discours. Ik stelde vaak die vraag: Wat verwacht je van de kerk? Hij of zij (laat ik dat in het midden laten) zei: "Politiek is een complexe werkelijkheid en vaak ook vuig. En voor je het weet worden wij gedomineerd door de pragmatiek en door de kleinheid. Wat ik hoop is dat de kerk een andere verbeelding voor ons opent." Prachtig antwoord: een andere verbeelding. Laten we het daarover hebben, aan het begin van een politiek seizoen. Ik benoem eerst het riskante van de verbeelding en daarna een traditie van denken in de kerk over verbeelding. Ik mediteer over de verbeelding in het bijbelboek Ruth en over het apocalyptische van de verbeelding die wij kunnen waarnemen in de natuur en in oorlog. Ten slotte iets over pacificatie, en de verbeelding die daartoe aandringt en die daaraan ontspringt. 

2. Het riskante van de verbeelding 

Het is te makkelijk om te zeggen: We hebben nieuwe verbeelding nodig. De verbeelding is ook het probleem. Verbeelding wordt vaak utopie, pretentie hoe het moet, idealisme. De deceptie van onze tijd is nu juist de afstand tussen ideaal en werkelijkheid. Moderniteit belooft veel: toenemend gemak, toenemende welvaart, toenemende veiligheid. Maar de werkelijkheid is kaler en harder. En dus ontstaat er wat Govert Buijs een exploitable gap noemde. Het gat tussen ideaal en werkelijkheid is zo groot dat de frustratie van mensen te activeren is, te exploiteren. Nicholas Spohn, een Duitse politiek analist, schreef dit weekend in de NYT: ‘Mensen in het oosten van Duitsland zijn niet rechtser dan veel andere Duitsers in andere deelstaten, ze zijn ook niet meer autoritair-minded dan anderen, ‘they are simply more frustrated’. En dus ontstaat er een exploitable gap , een te exploiteren kloof tussen wat beloofd is en de werkelijkheid. En macaber genoeg zijn er dan politici die met nieuwe verbeelding en idealen in dat gat springen en mensen iets beloven, iets wat nog onhaalbaarder is. De ervaring leert dat juist daardoor de frustratie en het ressentiment toenemen. Dus, nieuwe verbeelding? Ja, maar welke verbeelding? Is veel verbeelding niet een escape uit de concrete problemen, met idealistische schilderingen van een toekomst die onhaalbaar zal zijn? Behalve misschien dan door harde middelen, en met gebruik van scapegoats/zondebokken die de oorzaak zouden zijn van waarom de gedroomde werkelijkheid er nog niet is. 

3. Er zijn verschillende stemmen in de christelijke traditie die heel anders over verbeelding spreken 

Niet als een soort visual thinking van overtuigingen of idealen. Het is iets anders. Je kunt verbeelding, in het Engels imagination, ook zien als perceptievermogen. Door de verbeelding ga je iets zien. En dat wat je ziet voedt de verbeelding. William Blake schreef: ‘We use our imagination not to escape the world, but to join it.’ Verbeelding gaat niet over het ontsnappen aan de werkelijkheid, maar over contact maken met de werkelijkheid. Verbeeldingskracht is dus niet persoonlijke creativiteit, de marketing van ideeën. Verbeelding is het vermogen tot perceptie. Je ziet iets in de werkelijkheid, opeens, je voelt het, er is een connectie. Dat kan een lelie op het veld zijn, de ontroering van goedheid. Tolkien schreef daarover in Mythopoeia, over wat je ineens in de werkelijkheid waarneemt over ‘the movements of the sea, the wind in boughs, green grass and the large slow oddity of cows’ (‘de beweging die de zee voortstuwt, de wind in de bomen, groen gras, en grootse, vreemde traagheid van koeien’). Er wordt je iets gecommuniceerd in die dingen, iets mysterieus goeds in de schepping. Je hebt de verbeelding nodig om dat zien, de verbeelding voedt je opmerkzaamheid. Opeens komen herinneringen boven, het denken wordt gevoed, er begint iets te stromen in je, je wordt ruimer, een tinteling in je kop, een wil tot goedheid. Ik denk dat politiek, beleid, wetenschap, een idee van een ondernemer, een preek of een gedicht vaak ontspringen aan zulke momenten van verbeelding en perceptie. 

4. Gebed en waarnemingsvermogen 

Bidden, we gaan het daar straks over hebben, is voor mij hier vatbaar voor worden, voor die andere verbeelding, een ander waarnemingsvermogen. Ik merk in mijn gebeden dat ik meestal eerst een tijdje leegloop. Juist in de gebeden merk ik hoeveel gif zich in mij heeft verspreid, hoe grauw mijn ziel is en hoe boos ik kan zijn. Al de woorden van de bijbellezingen gaan eerst langs me heen. Maar juist door die ontgiftiging heen komt er ruimte voor flarden van ander inzicht, een andere geest in mij. Ik ben opeens allerlei concrete mensen waar ik mee leef nabij. En tot mijn schrik denk ik: als ik doorgegaan was zonder dit bidden, zonder deze ontgifitiging, dan was dat gif doorgegaan: in mijn dromen, in mijn gedrag, mijn schrijven.

 

5. Ruth en de andere verbeelding 

Een andere verbeelding. Het was in een tijd van oorlog en deceptie. In de christelijke canon is het bijbelboek Ruth tussen de ruige boeken Richteren en Samuel gekomen. Dat was een vreemde tijd, een vacuüm. Veel gewelddadige taal in de ether, veel onrust onder de mensen, politieke consternatie. Rechters vielen tegen, profeten zwegen en dichters zaten dicht. In die tijd heeft iemand geweten: we moeten nu het verhaal van Ruth vertellen. We zitten in een verkeerde verbeelding. En het bijzondere, die verbeelding begint in het empirische. Ruth is geen fantasie, ze is empirisch gezien. Iemand heeft haar waargenomen, iemand heeft iets in haar gezien. 

Ruth was Moabitisch, vrouw, weduwe, in zekere zin wees, migrant. Wat kun je zien, wat kun je leren? Dat het leven rauw is. Verlies op verlies. Dat je niks aan utopieën hebt als je weduwe bent, van de sociale dienst leeft, risico’s moet nemen, als er over je geroddeld wordt vanwege je komaf en je maar niet verder lijkt te komen. Het is een weldaad als we in onze tijd weer leren dat leven inspanning kost, dat ideaalbeelden leugens zijn die je frustratie vergroten.  

Pas, in een lezing bij de Societas Oecumenica, vertelde Eunice Anita van SKIN dat ze vroeger in Curacao, waar ze opgroeide, in haar buurt met allerlei geloven en ethnische achtergronden samen konden leven, en weet je waarom, zei ze: omdat iedereen wist dat wij allemaal vulnerable zijn, kwetbaar/breekbaar, en dat we wisten dat we er niet zouden komen zonder elkaars hulp. En als je dat weet, dan leer je samenleven. Nu, juist dat kun je leren in dit boek Ruth: dat wij raakbaar zijn, voor de dood, voor armoede, voor zoiets als rampen, en dat we elkaar nodig hebben, of je moslim, christen, jood, seculier of zoeker bent. Wij hebben elkaar nodig. En je kunt in dit boekje leren dat er midden in zulke werkelijkheden mensen zijn die dat doen, die trouw zijn, die zichzelf kunnen relativeren, die een ander niet laten vallen, die goedheid zoeken. Dat is de verbeelding die opkomt uit dit boek, en vanuit die verbeelding leer je waarnemen in het nu. Ruth is een belichaming van de trouw/goedheid van God, van de niet-verplichte liefde die zichzelf opoffert. Deze vrouw wordt een geestelijke moeder in Israël, zij baart een toekomst, en in haar traditie wordt David geboren, en Jezus. 

6. Perceptievermogen 

Verbeelding in de christelijke traditie is dus perceptievermogen, het waarnemen van het spoor van God in deze wereld, en dat je laten vormen en vandaaruit schrijven, leven, politiek bedrijven, ondernemer zijn, of moeder. Deze verbeelding begint in de diepte. Leiders die tot de verbeelding spreken zijn meestal gepokt en gemazeld door een crisis: Mandela en zijn 28 jaar in prison, Vaclav Havel en de vernederingen van de gevangenis, Tutu en de drama’s in de townships, Navalny en de kleinering en het vergif.  

Iemand die dat op zijn eigen manier beschrijft is de denker der Nederlanden, David van Reybrouck. Ik las deze week zijn hartenkreet. Hij schrijft over de bosbranden deze zomer, over hoe het steeds dichterbij kwam dat vuur, Spanje, Bordeaux, en toen ineens bij hem in de buurt. Hij schrijft over de blauwe hemel die lichtbruin kleurde, en over de geur, en hoe zijn geliefde landschap van de Hoge Venen in Wallonië nu in zwarte as ligt. De dood trok door het landschap en vernielde het. Landschapspijn noemt hij dat. En dit zal de komende jaren toenemen. Nepal en smeltend ijs van een kilometer bij een kilometer, dat kun je nog op afstand houden, maar wat als volgende zomer de fik in de Heuvelrug komt, mijn landschap, en wat als ik dat een keer met eigen ogen zie, die dood in de dieren, in de diversiteit, in de bomen, in die oude bomen waar ik connectie mee voel. De prognose is helder en alarmerend.  

Als je het nu hebt over perceptievermogen, moet je dan niet eigenlijk horen wat de natuur ons toeschreeuwt? Dat de dood toeslaat, dat zoveel in verzengend vuur vernield wordt. En er is nog meer hoorbaar, denk ik, voor wie oren heeft om te horen. De NYT houdt het bij: we naderen de twee miljoen doden, Russen en Oekraïners, en dat gebeurt in mijn levenstijd. En wat zegt mijn perceptievermogen? En zo zijn er meer ontwikkelingen waardoor je soms buiten staat, en de lucht kleurt lichtbruin en je ruikt iets waar je van schrikt. 

Verbeelding is niet ophitsing. Niet. Wat me opviel in wat ik David van Reybrouck hoorde zeggen (en hij noemde een artikel van Jesse Frederik in De Correspondent) is zijn pleidooi juist voor pacificatie. Niet elkaar nog langer ophitsen, niet verbeelding gebruiken om de ander weg te zetten en mensen te verdoven met verpletterende beelden. We kunnen doorgaan met parallelle monologen: de een zegt dat dit wel meevalt, en de ander dramatiseert het. En dat op de vier, vijf grote thema’s van onze tijd. Maar juist dat langs elkaar heen visualiseren miskent de perceptie van wat aan het gebeuren is: dat er dusdanig veel op het spel staat dat we ons dit niet meer kunnen veroorloven. En dus, zegt Van Reybrouck: pacificatie. Ga zitten, praat, spreek over je angst en je verdriet, erken onze gezamenlijke kwetsbaarheid nu, besef dat we elkaar nodig hebben, sluit compromissen om tot actie te komen, geef wat toe, maar vind elkaar in de nood en in de creativiteit die kan ontstaan wanneer je dit aandurft. Ik denk dat mensen die dat durven tot de verbeelding spreken. Ze kunnen je vertellen dat deze weg veel weerstand oproept, dat allerlei mensen aan allerlei flanken boos worden, en dat je zult moeten volhouden, maar dat je niet anders kunt als je geraakt bent door onze raakbaarheid voor de dood, als je moed hebt tot gezamenlijkheid. 

Een voorbeeld. Ik heb in Tel Aviv, Tania Coen-Uzielli ontmoet, art-director van het Museum of Art. Zij verstond de urgente opdracht van haar tijd en context. In een zaal van haar museum durfde ze het aan om een foto te laten zien van Gaza, een grote grauwe foto van de ruines, waar alles kapotgeschoten is, zo veel dood, zo veel verlies. En 15 meter verder hing een doek van wegrennende festivalgangers, wegvluchtend voor een andere dood. Ze wilde haar tijdgenoten dat allebei laten zien: ‘Dít is onze werkelijkheid, het een én het ander. Zie het onder ogen, laat je raken, we hebben samen iets te doen.’ En dat riep heel veel op. Heel veel woede, heel veel bedreiging, heel veel spanning. ‘Maar dit’, zei ze, ‘dit is wat wij moeten doen. Dit moeilijke met elkaar onder ogen zien, zodat wij allemaal veranderen, zodat er iets gebeurt in onze verbeelding.' Heb de moed om de dood te durven zien in het gelaat van de ander, in de ziel van een ander volk, en dat je dat deernis geeft, en zwijgen en vragen, en misschien wel herkenning. Dat was trouwens de portee van de filosofie van Levinas: niet alleen het gelaat zien van de ander, waarin God je aankijkt, maar ook het getekende zien, de dood, in dat gelaat van de ander, en zo verantwoordelijkheid nemen. Precies dat gebeurt in Ruth: zij heeft de dood zien huishouden bij haar schoonmoeder, en dus blijft ze bij haar. En dat gebeurt in Boaz: hij heeft de dood zien huishouden in en rond Ruth, en dus biedt hij haar onderdak. Als je gezien hebt in de ander wat verwondt en verweest, dan kan de gebrokenheid van de ander je herinneren aan die van jezelf, en misschien dat je dan elkaar kunt verdragen, eren, samenleven en samenwerken? 

Kroonbede 2026 – 8 september 2026 Den Haag 
Dr. Kees van Ekris - Scriba Protestantse Kerk in Nederland 

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we je contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)